Met Suurhoff naar een AOW-leeftijd van 69 jaar

Verhoging van de ingangsleeftijd voor de AOW naar 67 jaar, of nog later? Her en der wordt verwezen naar de bedoelingen van Suurhoff, als minister van sociale zaken en volksgezondheid (1952-1958) indiener van het ontwerp van de Wet op de ouderdomsverzekering dat op 29 juni 1955 werd aangeboden aan de Tweede kamer. Soms wordt ook verwezen naar Drees maar die was toen minister-president.

Verhoging van de ingangsleeftijd voor de AOW naar 67 jaar, of nog later? Her en der wordt verwezen naar de bedoelingen van Suurhoff, als minister van sociale zaken en volksgezondheid (1952-1958) indiener van het ontwerp van de Wet op de ouderdomsverzekering dat op 29 juni 1955 werd aangeboden aan de Tweede kamer. Soms wordt ook verwezen naar Drees maar die was toen minister-president.

De memorie van toelichting (MvT)* bij het wetsontwerp is ook nu nog goed leesbaar. En interessant onder meer vanwege een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling van een oudedagsvoorziening in Nederland. En met bespiegelingen over verhoging van de AOW-leeftijd, mogelijkheden voor uitstel van het basispensioen (= AOW), en over vergroting van de deelname van vrouwen aan betaalde arbeid. Hoe actueel kan een tekst van meer dan 60 jaar geleden nog zijn.

Wat zou nu de ingangsleeftijd zijn als we uitgaan van een levensverwachting van een 65-jarige in de jaren ’50? Met cijfers van het CBS is dat uit te rekenen. Mannen van 65 jaar hadden in 1950 een levensverwachting van 14,05 jaar. Zij zouden dus gemiddeld genomen 79 jaar worden. In 2008 ligt de levensverwachting voor 65-ers ruim hoger: 17,255 jaar. Hoe oud is een man in 2008 als hij een levensverwachting heeft van 14,05 jaar? 69,257. Uitgaande van de toen in de MvT verwoorde mogelijkheid voor een latere ingangsleeftijd zou de AOW voor een man nu kunnen ingaan op de eerste van de maand dat hij 69 jaar wordt.

Voor 65-jarige vrouwen is de levensverwachting van 1950 tot 2008 meer toegenomen dan voor mannen. Voor de vrouwen zou de AOW-ingangsleeftijd zelfs kunnen verschuiven naar 72 jaar.

Suurhoff hield echter wel een slag om de arm. Want toename van de levensverwachting is alleen dan een argument tot verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, “indien mèt de verhoging van de gemiddelde levensduur ook een verhoging van het prestatievermogen van 65-jarigen en ouderen gepaard zou gaan”. Suurhoff’s redenering overnemend wordt dan de kernvraag: hoe stel je het prestatievermogen van 65-jarigen vast? Als het gezonde deel van de levensverwachting **?

De memorie van toelichting, Tweede kamer, 1954-1955, 4009 nr. 3

** Trends in gezonde levensverwachting